Ten huize van Antoon en Simonne Vranckx

TEN HUIZE VAN… ANTOON EN SIMONNE VRANCKX

(sept 2007)

Voor het laatste bezoek van het seizoen anno 2007 worden we ontvangen bij Antoon Vranckx en Simonne Walraevens, één van de vele LWT paartjes en bovendien twee ‘anciens’ van de club.

Antoon werd geboren op 23 april 1930 en Simonne is volgens wat ze zelf zegt een ‘winterjoenk’ want ze kwam ter wereld op 10 januari 1933.

Beiden zijn dus reeds boven de zeventig maar zijn zowel binnen als buiten onze club nog zeer actief.

Vraag: vertel ons eens, van waar zijn jullie afkomstig?

Antwoord ( Antoon ): Ik ben afkomstig van Anderlecht en meer bepaald van Neerpede en mijn ouders waren er boerkozen en heb verder nog een broer en een zus. Simonne van haar kant stamt af van boeren die in Sint-Martens-Bodegem woonden en die zowel koeien bezaten als grove groenten kweekten.

Vraag:een boerkoos en grove groenten, wat is dat?

Antwoord: vroeger waren er rond Brussel en dan vornamelijk in de uitkant van Sint-Jans-Molenbeek en Anderlecht-Neerpede ontelbare boerkozen. Ze kweekten voornamelijk op relatief kleine percelen zowat alles wat er, voor de tijd van de grootwarenhuizen, in voedingswinkels te vinden was. Denk maar aan prei, selder, radijs, kelver, peterselie, pijpajuintjes, postelein (nog zelden te vinden) dragoen, veldsla, krulsla, andijvie, witte wortelen (ook al zo goed als verdwenen want een beetje flauw van smaak),ramenach en noem maar op. De bedoeling was al deze groenten vers te verkopen op maandag, woensdag en vrijdag, telkens in de namiddag , aan grossiers die dan vervolgens ‘s anderendaags er mee naar de vroegmarkt trokken om ze te verkopen aan de winkeliers. Het was allemaal relatief kleinschalig maar sinds de opkomst van de grootwarenhuizen is dat natuurlijk fundamenteel en grondig veranderd. Maar ze bestaan nog steeds, de boerkozen, en ze doen nog goede zaken ook.

Bij Simonne legden ze zich meer toe op, wat men in vak en streektaal, grove groenten pleegde te noemen. Men had er grotere percelen landbouw grond nodig. Denk hier aan allerlei kolen, prei en dergelijke maar ook aan aardbeien.

Vraag: en ergens kwamen jullie mekaar op de markt of in het veld tegen.

Antwoord: neen, toen mijn zus in 1952 trouwde met een kozijn van Simonne, werden Simonne en ik, voor de ceremonie en de bruidssuite, aan elkaar ‘gekoppeld’. We hebben mekaar niet meer los gelaten.

Simonne: Ik wist natuurlijk dat ik aan een ‘Vranckx ging gekoppeld worden maar toen ik eerst de broer van Antoon op dat feest zag verschijnen dacht ik: dat ziet er niet slecht uit om te feesten. Maar toen bleek dat het de andere Vranckx was die mijn dagpartner zou worden, en ik Antoon voor het eerst zag, dacht ik wauw. Zo iets kun je niet uitleggen, het werd liefde op het eerste zicht.

Vraag: en jullie kregen kinderen.

Antwoord: Ja, twee meisjes. Eerst Mieke, die ons een tweeling onder de vorm van een jongen en een meisje als kleinkinderen schonk, en vervolgens Annie, die ons ook nog een tweeling in de armen wierp, twee jongens ditmaal, en daarna nog een meisje. Deze laatste speelt volleybal en bereikt al een behoorlijk niveau in een club te Schepdaal.

Mieke baat met onze schoonzoon het Koetsiershof uit in Strombeek/Grimbergen, een feestzaal voor 60 personen.

Annie, ook een fervent Leeuwse wielertoerist, is gehuwd met Peter Puttemans, een erkend vastgoedmakelaar uit Schepdaal.

Vraag: en hoe liep het verder?

Antwoord: Toen we in 1955 trouwden stelden mijn ouders voor om bij hen in te wonen en het boerkozen een beetje uit te breiden. Het ouderlijk huis was groot genoeg, er was werk in overvloed en mits een goede taakverdeling zou alles in perfecte harmonie verlopen. De vrouw van mijn broer zorgde voor het volledige huishouden, mijn broer, Simonne en ik voor het veldwerk en de ouders zorgden voor de verkoop en hielpen natuurlijk ook op het veld.

Gedurende vijf volle jaren liep het perfect tot Simonne pijn aan haar rug kreeg. De dokter waarschuwde haar dat er een zenuw gekneld zat en dat de oorzaak lag in het labeur op het veld en voornamelijk door de gebukte houding die ze innam om te werken. Het werd zo erg dat de dokter in zekere zin nog weigerde haar te verzorgen want hij beweerde dat, zolang ze op het veld bleef werken het van kwaad naar erger zou evolueren.

Ze deed nog een tijdje verder al werkend op haar knieën maar ook dat hielp niet.

We zijn als koppel uit de boerkozerij gestapt met pijn in het hart en ik ben gaan werken bij Interbrabant in Ruisbroek, een afdeling van Electrabel. Simonne werd huisvrouw en zorgde voor de kinderen. Ik heb 30 jaar bij Interbrabant gewerkt en was er verantwoordelijk voor zes stoomketels die in een verdere fase elektriciteit moesten helpen opwekken. De stiel leerde ik op de werkvloer en grondige scholing waarbij Simonne me ’s avonds nog dikwijls bijstond met mijn studieboeken.

We woonden in die periode 22 jaar lang in Anderlecht in de omgeving van het shopping center.

Toen we hier in Leeuw een huis wilden bouwen en er bouwgrond zochten kreeg ik een adres ergens in de Hoogstraat maar toen ik de locatie zocht viel mijn oog op een plaatje met bouwgrond te koop hier in de Nonnemanstraat juist naast de Watermolen. Het betrof een weide want er stonden koeien op te grazen en ik vond de ligging zo perfect voor ons dat we het onmiddellijk gekocht hebben en er ons huis op bouwden. We wonen hier nu reeds 24 jaar.

Vraag: en de LWT?

Antwoord: heel eenvoudig, Jef Degreef was een collega op het werk en loodste me naar de club. We woonden destijds nog in Anderlecht en na een paar jaar, toen we vonden dat de verplaatsing naar de club op zondag een beetje te zwaar werd zijn we gaan fietsen bij een club in Anderlecht. Toen we later naar hier verhuisden hebben we ons vanzelfsprekend terug bij de LWT aangesloten want het is toch zo een toffe club.

Vraag: en heb je nog andere sporten beoefend?

Antwoord: Ja en of, als zeventienjarige was ik lid van de atletiekploeg van Anderlecht. Mijn specialiteiten waren 100 meter sprint en hoogspringen

Ik kwam in de atletiek terecht, en meer bepaald bij Anderlecht, omdat een zekere broeder Nicola me tijdens een sportdag van de KAJ (Katholieke Arbeiders Jeugd) aan het werk zag. Hij noemde me talentvol en de moeite waard om het te proberen.

Bij Anderlecht liep ik, in competitie en op blote voeten, de 100 meter in dertien seconden. Sommigen liepen toen al op spikes in die tijd en die vertrokken sneller maar ik haalde hen tijdens de race toch vaak nog in. Later ben ik ook beginnen lopen met turnslofjes maar blootsvoets ging ik even snel.

In het hoogspringen ging ik destijds over de meter vijftig, in de periode dat het hoogterecord slechts een meter éénentachtig bedroeg. Het was nog de tijd van de schaarsprong, die later gevolgd werd door de rolsprong. Noteer ook dat we terechtkwamen op zand, later een zandbak. Sinds 1968, toen een zekere Fosbury zijn naam gaf aan de Fosburyflop, springt men achterwaarts en de landing gebeurt op een hoog schuimrubberen tapijt. Het record bedraagt momenteel twee meter vijfenveertig, bijna één meter hoger dan ik destijds sprong. Waanzinnig gewoon.

Interessant om weten is dat tussen mijn clubmakkers van toen zich een zekere Felix Week bevond. Hij werd later zeer bekend als keeper van Anderlecht en nog later, als hoofdtrainer van het ter ziele gegaan R.W.D.M., kampioen speelde in de hoogste voetbalklasse. Een andere voor de Leeuwenaren niet onbekende clubmakker was Pieter Van Cauwelaert een specialist 1.500 meter loper. Ook mijn broer was van de partij, hij werd zelf in 1953 Belgisch kampioen kogelstoten.

Ik heb er spijtig genoeg mee moeten stoppen want met al het werk dat er thuis in het veld te doen was en ik maar steeds onderweg om te sporten dat was toen deontologisch niet te verantwoorden.

Vraag: en je legerdienst?

Antwoord: Die is zeer slecht begonnen maar zeer goed geëindigd.

De eerste dagen legerdienst werden destijds gebruikt om te zien wat voor vlees ze in de kuip hadden en organiseerden hiervoor een soort vijfkamp. Als men lukte in de vijf proeven kon men de rest van zijn legerdienst pronken met een soort logo, die olympische ringen voorstelde, op zijn uitgangstenue. Een bewijs dat men zijn ‘sportbrevet’ behaald had. Ik ben in de proeven, bestaande uit loop en springnummers, geslaagd maar liep tijdens één van de loopproeven een spierscheur op. Ik heb de rest van de proeven helse pijn doorstaan en het resultaat was vijf maanden militair hospitaal. Later leerde men me autorijden in Lier. Daarna werd ik overgeplaatst naar Turnhout, waar ik samen met de fameuze Rik Coppens, één van de beste voetbalspelers die België ooit gekend heeft, was gekazerneerd.

Na mijn brevet van chauffeur moest ik naar Duitsland, naar een kazerne in Neheim Hufte nabij Soest. Ik werd er reservechauffeur van de Kolonel en de rest van mijn legerdienst was een tijd van wachten en rondrijden met de Kolonel, een echt herenleven. Toen ik na 18 maanden dienst afzwaaide woog ik maar eventjes 80 kg en een gescheurde spier die in feite nooit meer helemaal genas. Ik heb er soms nog last van.

Mijn soldatengeschiedenis was hiermee nog niet gedaan want ze mankeerden in die tijd waarschijnlijk veel beroepschauffeurs en ik werd nog tot tweemaal toe voor een paar weken terug opgeroepen. De tweede maal gebeurde het zelf dat ik ‘op kamp’ moest, want zo noemde men dat toen, in 1955, amper één week nadat we getrouwd waren en mijn jonge en prille bruid zes weken lang noodgedwongen alleen heb moeten laten slapen.

Vraag: hebben jullie buiten het fietsen ook nog hobby’s?

Antwoord: we zitten hier nooit stil, we zijn ons steeds aan het amuseren met te dansen met de gepensionneerden, we wandelen enorm veel met de wandelclub ‘de Krekels’, we zitten veel aan zee en daarenboven gaan we dolgraag op reis naar verre landen. We mogen stellen dat we een groot deel van de wereld hebben gezien. Een opsomming zou ons misschien een beetje te ver leiden maar toch, we waren in Sri Lanka, Thailand, Venezuela, het ex-Joegoslavië, Noorwegen, Zweden, Amerika, Griekenland,Turkije en Tenerife waar we met de wandelclub van vakantiegenoegens elke dag rond de twintig kilometer gingen wandelen en dagelijks hoogteverschillen van rond de 2.000 meter overwonnen.

Vraag: tijd om af te sluiten. Beste en minder goede momenten?

Antwoord: Als minder goede souvenir denk ik voornamelijk aan de LWT reis naar Italië waar we ons valiezen in de koffer van onze auto achterlieten in plaats van ze in de bus te stoppen. Het enige voordeel is geweest dat we bij de terugkomst niet veel hebben moeten wassen.

Al onze goede momenten beleefden we in de schoot van de club: van de Elfstedentocht tot de laatste fietstocht naar de Somme en niet te vergeten de winteruitstappen.

Laatste vraag: toekomstplannen?

Antwoord: nog veel maar we zien het keer per keer, dus denken we nu aan de eventuele wintersport uitstap van Paul Van Geyt. Daarna zien we wel.

In ieder geval, nog veel succes, misschien zijn jullie wel clubkampioen want ik vernam dat jullie samen de grote toer reden tegen een gekozen gemiddelde van 20 km per uur. Wij, en dat zijn dan al jullie clubmakkers wensen jullie nog het allerbeste en ik bedank jullie voor de ontvangst en het lekker stuk taart.

Read More »